Spring naar inhoud

Dramatisch armgebaar

Op zaterdagavond fietste ik op weg naar huis door Heemstede. De stoplichten waren al aan het knipperbollen en ik was op eigen verkeersinzichten aangewezen. Ik naderde een kruispunt en van rechts kwam een auto. Ik reed op een voorrangsweg, maar was beducht deze voorrang klakkeloos te nemen. Het is mijn ervaring dat Heemstedenaren nogal eens denken dat ze altijd voorrang hebben, op welke manier zij zich ook verplaatsen. Dit hebben zij gemeen met puberende schoolkinderen. De auto wilde inderdaad eerst doorrijden en ik zwenkte al wat naar links. Toen ik uiteindelijk toch voorrang kreeg (zij het een beetje afgedwongen) staarde ik in het voorbijgaan uitgebreid naar de zwarte voorruit waarachter zich niets liet onderscheiden. Ik had daarbij mijn mond wat open staan, omdat ik in sommige gevallen graag wat onnozel wil overkomen. Kwijlen doe ik dan echter niet.

Vlak daarna kwam ik bij een voorrangsweg en zag ik de bestuurster van een auto die langs dezelfde weg reed als ik, uitgebreid naar links kijken, om dan de bocht naar rechts te nemen zonder te kijken of er tweewielers waren die misschien rechtdoor zouden willen rijden. Ik had dit voorzien en bedacht dat het nu misschien wel leuk was een dramatisch armgebaar te maken. Ik stootte mijn rechterarm de lucht in en voelde me voor wat mijn arm betrof opeens italiaans. De bijrijdster in de auto keek geschrokken naar mij terwijl de auto voor mij langsreed. Haar mond stond open, wat haar iets onnozels gaf. Ik vervolgde tevreden mijn weg. In het verkeer doe je zo nog eens wat acteerervaring op.

Image

Vaguevoyance

Op een verjaardag werd mij een keer door een nichtje gevraagd wat nu het belangrijkste was dat ik geleerd had in mijn leven. Dat is een vraag die je nog ouder doet voelen dan je al bent, maar er was me inderdaad iets opgevallen tijdens mijn leven tot dan toe. Ik antwoordde dat ik geleerd had, dat alles altijd anders gaat dan je gedacht had. Er werd bedachtzaam geknikt.

 

Laatst liet ik deze observatie nogmaals op tafel vallen, toen ik aan het natafelen was met een met mijn zoon bevriend echtpaar. Het gezicht van de vrouw lichtte op in herkenning, maar de man reageerde meteen met: dat is voor vrouwen misschien zo, maar voor mannen geldt dat niet. Zijn ervaring was dat de doelen die je je stelde op de langere termijn de richting blijven bepalen waarin de man gaat. Met andere woorden: vrouwen zijn grillig.

 

Toen ik hierover nadacht, kwam ik erachter dat dit mogelijke verschil tussen man en vrouw niet gelegen is in de onstandvastigheid van vrouwen, maar in de benadering en de manier van beleven; de vriend van mijn zoon had kennelijk meteen het bereiken van een doel voor ogen, waar het mij ging om de gebeurtenissen in de aanloop naar een te bereiken doel*. Kortom, het is ‘het resultaat telt’ tegenover ‘het gaat niet om het doel maar om de reis ernaartoe’. Of zou het toch zijn: houd je niet aan de route (of: houd de kaart op zijn kop) en je maakt méér mee?

 

Natuurlijk denk je bij veel zaken die wel gaan zoals verwacht niet na of je het had verwacht, hoor ik menigeen denken. Probeer het toch maar eens uit. Mijn ervaring is dat, wanneer je alle mogelijkheden hebt uitgedacht, de werkelijkheid toch weer met iets komt dat je niet bedacht had. Ik leef permanent in onvoorziene omstandigheden en verwacht dus maar niets meer. Des te meer kan er gebeuren, maar daar zal ik me dan wel weer in vergissen.

 

Voorlopig blijf ik het idee dat ik lijd aan een bepaalde vorm van vaguevoyance ontwijken en blijf ik nieuwsgierig naar hoeveel vrouwen er zullen knikken bij de constatering dat alles altijd anders gaat dan verwacht en hoeveel mannen ervan overtuigd zijn dat het iets voor vrouwen is.

Image

 

*Waargenomen verschillen tussen man en vrouw doen het altijd nog erg goed in het cabaret. Volgens Ronald Goedemondt zijn ‘vrouwen op zoek naar geluk en mannen op zoek naar het passende hdmi-kabeltje’. Zie http://youtu.be/MYVW47l8IRI

Feest der herkenning

Op donderdagmiddag 5 december kwam ik enigszins verlaat aan in het verzorgingshuis waar moeder verblijf houdt. Het was de bedoeling dat ik moeder zou bijstaan in een eventuele confrontatie met Sinterklaas. Het was de families eerder meegedeeld dat Sint niet in levende lijve zou komen, omdat de opwinding voor sommige bewoners misschien teveel zou worden. Maar toen ik binnenkwam, zag hem al zitten in de kring van oudjes. Hij zag er ongevaarlijk uit en zat er wat stilletjes bij. Sommige van de bewoners waren onder invloed van de warme chocolademelk al ingedommeld.  
‘Partyparty’, dacht ik terwijl ik op mijn moeder afliep. Ik dacht dat ze me herkende, maar ze dacht ook andere kinderen te herkennen in de kring. ‘Daar is Nico’,  wees ze met een knikje van haar hoofd naar een onbekende man. En ze zocht de kring af naar zussen en broers die al lang zijn overleden. De enige overledene die ik zag was Sinterklaas zelf, maar daar had ze geen belangstelling voor.

De zwarte pieten begonnen de cadeaus uit te delen. Als eerste was de beurt aan mijn buurvrouw, die zich steeds afvroeg waarom ‘haar jongens’ er nog niet waren. Een zwarte piet die kwam assisteren bij het voorlezen van het gedicht, werd door haar steevast aangesproken met ‘zuster’. Dat vond de zwaar geschminkte piet niet leuk.

Terwijl moeder de gezichten in de zaal bleef scannen, werden om haar heen de cadeautjes uitgepakt. Overal kwamen warme sloffen, sjaals en dekentjes uit de verpakkingen, het enige waarmee je je oude moeder nog een plezier kunt doen. Toen mijn moeder aan de beurt was en een zwart piet het gedicht wilde voorlezen, griste mijn moeder het papiertje uit piets handen terwijl ze riep:
‘Blijf af!’
’Nounounou’, werd er overal gemompeld, ‘mevrouw Bolle wil het gedicht niet met ons delen.’
Mijn moeder beraadde zich een tijdje over het papiertje in haar handen, boog zich toen naar me over en zei verheugd: ‘Dat is een brief van papa.’
De sjaal en handschoenen die ze had uitgepakt, bekeek ze met enige argwaan, waarna ze ze probeerde kwijt te raken, want die herkende ze niet.

Aan het eind van het wol- en gedichtenfestijn kwam een (ongeschminkte) zuster moeder ophalen om haar naar de eigen huiskamer te brengen.
‘Wie bent u?’ vroeg mijn moeder.
‘U kent me toch wel? Ik leg u elke avond in bed,’ zei de zuster. Mijn moeder glimlachte minzaam. Ze gelooft niet alles!

 

Image

1331 3113 en de Cariben

Ik had me pas opgegeven als gezond testpersoon voor een niet nader te noemen onderzoek op een niet nader te noemen locatie naar een niet nader te noemen ziekte. Ik werd uitgenodigd voor de keuring.

In de ochtend voor ik naar het ziekenhuis ging om te worden gekeurd, droomde ik dat ik naar het ziekenhuis ging, maar daar niet meer wist waarvoor ik er was. Na een dag werd ik weer naar huis gestuurd. Toen wist ik nog niet wat ik had of had gehad.

In het ziekenhuis moest ik, voorafgaand aan de keuring, eerst officieel toestemming geven voor het onderzoek door middel van het ondertekenen van een intensief bewoord pakje papier. Bij de ondertekening moest ook het tijdstip worden vermeld. De dokter keek op zijn horloge en dicteerde me dat dat 13.31 uur was, dus dat vulde ik netjes in. Daarna raakte ik wat in de war, want ik zag nu op meerdere plaatsen 1331 staan. Het bleken ook de laatste vier cijfers van mijn 6-cijferig deelnemersnummer. Toen ik dat eenmaal door had was ik niet meer zo in de war, alleen verwonderd.

Er volgde een reeks van metingen, waarbij je o.a. rustig, met je ogen dicht, op een bed moest gaan liggen voor een ECG (elektrocardiogram). Een zuster plakte overal plakkers op mijn lichaam en ik probeerde me heel hard te ontspannen, maar werd steeds weer afgeleid door gedachten aan het ontbreken van een kussen onder mijn hoofd. Dat ligt niet fijn.

Na alle metingen en een bloedafname mocht ik eten. Samen met twee andere kandidaten viel ik aan op het wat saaie brood met de saaie plakjes kaas. Nadat ook de nodige cafeïne was genuttigd, kwam de zuster zeggen dat ik opnieuw gemeten moest worden. De waarden van het ECG waren te hoog.

Dit keer plaatste een zwarte verpleger met een warme plaatsnaam als achternaam en met ijskoude vingers de plakkers op mijn lichaam. Weer probeerde ik zo hard mogelijk te ontspannen en ik stelde me voor dat ik langs de zee wandelde. Buiten was het koud, dus ergens op de Cariben dan maar. Al mijn spieren ontspanden zich. Maar mijn hersenen en hart hadden heel andere plannen. Die leken te zijn gaan joggen langs de zee, speelden mee in één of andere actiefilm, of hadden een ontmoeting met de dokter uit de Cariben geënsceneerd. Kortom, de waardes van het ECG bleven te hoog en ik liet me door verschillende personen uitleggen wat dat betekende. Het betekende in ieder geval dat ik niet mee mocht doen aan het onderzoek en dat deelnemer XX1331 weer naar huis kon gaan. De zuster die me het dichtst bij enig begrip bracht van wat ‘te hoog’ was, verzekerde me steeds dat het verder een prima ECG was en dat ik er honderd mee kon worden. Maar dat ben ik helemaal niet van plan.

Op weg naar het station kwam ik langs een Holland Casino. Met de getallen 1331 nog steeds in mijn hoofd stapte ik er binnen. Er was een grote kom met balletjes waarvan je mag raden hoeveel het er zijn. De prijs is een aanzienlijk geldbedrag. Ik vulde 3113 in (want 1331 was erg onwaarschijnlijk) en ging naar huis zonder te weten wat ik nu had, had gehad of zou krijgen. Ik hoop op een mooie warme droom op de dag van de uitslag. Een reisje naar de Cariben zou wel fijn zijn.

1331

HH said the clown 2

In september blogde ik over de uitgever HH die mensen voor zich liet werken zonder zijn betalingsverplichtingen na te komen en die boeken uitgaf van schrijvers, die vervolgens naar hun royalty’s konden fluiten. Ook schreef ik over de site lil.nl waar de boeken opeens in de verkoop stonden, nadat HH verdwenen was. Ik veronderstelde toen dat HH wellicht achter die site zat. (https://leabolle.com/2013/09/08/hh-said-the-clown/ ) Afgelopen vrijdag sprong er echter onverwacht een andere clown tevoorschijn.

Een vriendin die lid is van de Vereniging van Letterkundigen had me meegevraagd naar een symposium met het thema: ‘Hoe overleeft de schrijver het digitale tijdperk?’ Ik wilde graag meer weten over het uitgeven van e-boeken en ging mee. Tijdens het wachten op de start van de middag, zag ik een BN-er rondlopen die ik kende als Vunzige Muntz. Hij maakte vroeger stukjes voor de VPRO televisie die niet misstaan zouden hebben bij PowNed. Ik schonk verder geen aandacht aan hem.

Nadat we allemaal wat bijgeschoold waren wat betreft de digitale mogelijkheden in het schrijversvak, was er een forumdiscussie van ‘nieuwe initiatiefnemers’ in de boekenwereld. Rob M. (zoals ik Vunzige Muntz hier maar zal noemen) bleek één van de leden van het forum te zijn en werd voorgesteld als de directeur van de woonwebwinkel lil.nl die benevens woonartikelen ook echte boeken wilde gaan verkopen. Ik trok van schrik mijn naamkaartje van mijn vest. Dus mijn boekjes en die van de andere auteurs van voorheen BB waren nu in handen van deze figuur. HH dat is lachen.

Er werd gevraagd aan Rob M. waarom hij boeken wilde verkopen via een woonwebwinkel. Hij antwoordde dat hij dat gewoon deed en dat hij dat leuk vond en hij trok een olijk gezicht alsof hij het leven één grote klucht vond. Kennelijk was men er bij de organisatie van deze middag vanuit gegaan dat het combineren van twee elementen, die voorheen geen relatie met elkaar hadden, al als een vernieuwend initiatief kon worden gezien. Hoewel de combinatie van een luie stoel met een gewoon boek natuurlijk weer niet echt nieuw is. Inmiddels zat ik me af te vragen wat ik met deze informatie moest doen. Ik moet toegeven dat ik laf ben en met het oog op de reputatie van deze man het niet waagde hem direct te benaderen met vragen over de verdachte voorraad boeken op zijn site. Dit dilemma verdween gelukkig vanzelf toen even later het hoogtepunt van de dag werd aangekondigd: de borrel. Een ouderwets goeie combinatie met wat voor een bijeenkomst dan ook. Eerst werd er nog een stipendium uitgereikt aan een jonge veelbelovende schrijver, waarna het meer serieuze werk volgde. Met een glas wijn in de hand positioneerden we onszelf zo, dat we goed bereikbaar waren voor degenen die met de bladen met lekkere hapjes rondgingen.

Misschien dat ik het na enkele wijntjes wel gedurfd zou hebben om mijn dag een journalistieke shot te geven, maar gelukkig was Vunzige Muntz toen nergens meer te bekennen, althans, niet voor iemand die er niet naar zocht. En dat deed ik dan ook maar niet. Laat hij die boekjes maar lekker verkopen op lul.nl, zoals de vriendin de site inmiddels had gedoopt. Image

Boa constrictie

Ik liep door het bos. Alles om me heen was in beweging door een woelige wind en ik genoot van het herfstig feestgeruis. Vanuit een zijpad kwam een man tevoorschijn met een boswachterskostuum. Ik heb van mijn zus geleerd dat boswachters niet te vertrouwen zijn, dus ik was op mijn hoede. De man keek om zich heen alsof hij iets zocht terwijl hij met zijn fiets aan de hand op mij af kwam. Toen hij vlakbij was gekomen keek hij me strak aan en vroeg bars:
‘Waar is uw hond?”
‘Ik heb geen hond,’  antwoordde ik. Weer keek de man in het rond.
‘Weet u niet dat honden hier aangelijnd moeten zijn?’ vroeg hij streng.
‘Nee, dat wist ik niet,’ antwoordde ik naar waarheid.
‘Dan gaat u op de bon,’ zei de man en hij haalde een bonnenboekje uit zijn borstzak.
‘Maar ik heb helemaal geen hond,’ probeerde ik weer. ‘Het is toch geen overtreding om niet te weten dat je honden hier moet aanlijnen?’
‘Er staan overal bordjes waarop ten overvloede wordt aangegeven dat u uw hond moet aanlijnen. Niet weten is geen excuus.’
‘Maar ik heb helemaal geen hond,’ zei ik en ik liet mijn handpalmen zien alsof ik daar een hond in had kunnen verbergen maar dat niet deed. Ik zag dat het nu wel enig effect had, want mans potlood bleef boven het boekje hangen en hij keek naar wat ik bij me had.
‘Kunt u laten zien dat u poepzakjes bij u hebt.’
‘Die heb ik niet, ik heb geen hond,’ zei ik kleintjes.
‘Wat is dat dan? Dat is een riem,’ wees de man. Van mijn schoudertas hing inderdaad een riem, maar die hoorde bij mijn tas.
‘Dat is geen hondenriem,’ zei ik.
‘Het is verboden honden onaangelijnd mee te voeren in het bos,’ zei de man weer, maar ik merkte aan zijn toon dat ik terrein begon te winnen. Dit maakte me rustiger en geduldig antwoordde ik:
‘Ik heb geen hond.’
De man wist even niet hoe hij moest reageren, zei toen ‘bon’ (op zijn Frans) en borg zijn bonnenboekje onverrichter zake weer op.
‘Kinderen?’ vroeg hij toen. Zijn ogen schoten door het bos. Ik trok mijn wenkbrauwen op.
‘Moeten die ook al aangelijnd? Maar nee, ik heb geen kinderen bij me. Sorry.’
Dat laatste deed hem besluiten me te vergeven en hij stapte op zijn fiets en reed voor me uit over het bospad. Toen kwam hij toch nog even terug.
‘Dus u loopt hier helemaal alleen in het bos?’
Even wilde ik antwoorden dat dat niet het geval was, aangezien hij er immers ook was, maar ik besefte op tijd dat dit de zaak nodeloos zou compliceren en ik knikte slechts een gedwee ‘ja’.

De man keek me argwanend aan, maar besloot me dan toch maar in mijn al dan niet voorgewende eenzame staat te laten. Hij reed weg. Vanonder zijn banden sprongen eikels alle kanten op.

Op weg naar huis werd ik achtervolgd door een drone.

IMAG0923

Doelloos en geconcentreerd

Mijn kleinzoon verzamelt voetsporen. Op het strand raapt hij voorzichtig plakjes zand op die uit voetafdrukken naar boven steken en maakt er dan zandballetjes van. Hij is zeer geconcentreerd, maar van het één op het andere moment gooit hij het zand weg en begint dan weer met al zijn aandacht aan een volgend project.

Even doelloos, maar vol goede intenties, waren we van huis gegaan. Het enige dat vaststond was dat we met de fiets zouden gaan. Waarheen was nog niet aan de orde. Pas toen ik onderweg op een busbordje zag dat de bus naar Zandvoort weldra zou langs komen, werd de richting bepaald.

Op de terugweg in de bus kijkt kleinzoon naar buiten, twee handjes aan de onderkant van het raam. Alles is even prachtig. Maar dan lijkt hij zich iets te herinneren en begint hij te vragen. “Wrom oma, wrom rijdt die auto?” “Oma, wrom lachen die jongens?” “Wrom zijn die stoelen weg, oma?” Als ik antwoord probeer te geven is de volgende vraag al snel gesteld* en ik merk al gauw dat hij geen antwoorden hoeft. Wat op weg leek te gaan naar het grote Waarom van het leven, blijkt een oefening in het vragen zelf en hij gaat er geheel in op.  

De bus stopt en we steken over naar de fiets. De wrom-vragen zijn vergeten. Na de reis om het reizen, het vragen om het vragen en het leven om het leven is het enige doel het thuiskomen. Bij deze zekerheid valt kleinzoon in slaap.

 

Image

 

*‘Wrom lachen die jongens, oma?’ ‘Omdat ze grapjes maken.’ ‘Wrom maken ze grapjes?’ ‘Omdat ze dat leuk vinden.’ ‘Wrom vinden ze dat leuk?’ ‘Dat weet ik niet.’ ‘Wrom weet je dat niet?’ ‘Omdat ik niet alles weet.’ ‘Wrom weet je niet alles?’ ‘Omdat ik maar één mens ben.’ ‘Wrom ben je maar één mens, oma.’ Deze reeks is naar believen uit te breiden tot op de randen van de taal.